EEN KWESTIE VAN SMAAK 6

Genetica, gen-ethica en geen-E-tica

Deze gewoonte van veredeling van levensmiddelen is al zo oud en ontwikkelt zich ook zo geleidelijk dat  niemand zich hier ooit zorgen over heeft gemaakt. De genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen, die nu in het centrum van de belangstelling staan, hebben wel aanleiding gegeven voor bezorgdheid. Waarom eigenlijk? Ze zijn een logische voortzetting van de veredelingsmethoden, met dat verschil dat nu de  veranderingen sneller en drastischer kunnen zijn. Snelle veranderingen geven altijd onrust in een  conservatieve omgeving. Eten is immers bij uitstek een conservatieve bezigheid in alle betekenissen van  het woord. Zijn er risico’s bij GMO? GMO staat voor ‘Genetically Modified Organisms’ en ik gebruik ook liever het woord ‘gemodificeerd’ en niet ‘gemanipuleerd’ dat door tegenstanders wordt gepropageerd, om mij aan te sluiten bij de internationale naamgeving en te proberen emotie hierbij te vermijden. Het is niet  zozeer dat GMO onveilig zouden zijn voor de consument. De producten zijn consciëntieus getest. De wijzigingen in de genstructuur, dus in het DNA, kunnen nooit via voedsel worden doorgegeven, omdat DNA reeds in de maag volledig wordt afgebroken. Het eten van paddestoelen is veel linker door de kans dat er een giftige tussen zit, dan het eten van GMO. De bedenkingen liggen voornamelijk op het gebied van milieu. Als gewassen resistent worden gemaakt tegen bepaalde onkruidbestrijdings-middelen, gaat men dan niet teveel van die middelen gebruiken? Is dat wel gewenst in het milieu en stimuleert dat dan  weer het ontstaan van resistent onkruid? Het zijn dit soort ideële overwegingen die de milieubeweging en ethici in het geweer brengen. Een waarschuwing is zeker op zijn plaats, maar het moet geen heksenjacht worden.  We hebben een culturele, niet een natuurlijke samenleving en om die in stand te houden kan men niet alle risico’s uitsluiten.

Overigens moeten we ons bedenken dat we leven in een post-post-Darwinistische periode. Darwin ontwikkelde de theorie van ‘survival of the fittest’: natuurlijke selectie vond plaats via de soort met de  grootste overlevingskansen. Deze theorie is in het post-Darwinistische tijdvak algemeen aanvaard. Door ingrijpen van de mens geldt deze wet niet meer: de mens probeert ook
zwakken in leven te houden en het cultiveren van planten en dieren is er niet op gericht de soort betere overlevingskansen te geven, maar om de gewenste productie te bevorderen. Koeien zouden zich in het wild niet kunnen handhaven en dat geldt voor vrijwel alle gekweekte gewassen en dieren. De kans dat genetisch gemodificeerde gewassen zouden kunnen ‘ontsnappen’ en zich daarna zouden kunnen handhaven is erg klein.

Een verwant probleem is dat van de E-nummers. E-nummers zijn nummers die de Europese commissie heeft gegeven aan voedingsadditieven die uitvoerig getest zijn op hun veiligheid. Hulpstoffen worden al eeuwen gebruikt en dienen om producten beter houdbaar te maken, een goede textuur of een aantrekkelijk uiterlijk te geven. Voor conservering gebruikte men zout, voedingszuren zoals azijn of citroenzuur, kruiden of extracten van kruiden om ranzigheid te voorkomen. Als emulgatoren werden eidooiers, melkeiwitten en ook bijvoorbeeld mosterd toegepast en als kleurstoffen safraan, tomaat, bessensap enz. Vaak hadden deze hulpstoffen ook een belangrijke smaakbijdrage, maar de functionele eigenschappen waren van primair belang. De voedingsmiddelenindustrie benut de min of meer zuivere functionele ingrediënten. Deze zijn meestal identiek aan de stoffen die in de bekende voedingsmiddelen zitten. Soms worden die er zelfs uit geëxtraheerd zoals lecithine, een emulgator die ook in eidooier zit, uit soja. Caroteen, pro-vitamine-A, wordt gebruikt als gele kleurstof.  Beta-caroteen wordt gesynthetiseerd, maar is identiek aan een van de carotenen die in groente en worteltjes voorkomt. Natuurlijk caroteen wordt gewonnen uit palmolie.  Alle hulpstoffen die door de EU zijn toegestaan hebben een E-nummer gekregen die de fabrikant op het etiket van het voedingsmiddel moet zetten om de consument te informeren. De fabrikant heeft overigens de keus in plaats van het E-nummer de naam van het ingrediënt te declareren. Het probleem daarbij is dat deze namen zo lang en ingewikkeld zijn dat het etiket onleesbaar wordt.

Helaas werden E-nummers in ongenuanceerde publicaties in een kwaad daglicht gesteld. Ik heb trouwens de indruk dat dat nu wat wegebt, wellicht door grotere acceptatie door de consument. Er werd beweerd dat hulpstoffen niet nodig waren en er alleen toe dienden om zaken mooier voor te stellen dan ze werkelijk zijn, dus een misleiding van de consument in plaats van een voorlichting. Deze bewering gaat voorbij aan het feit dat voedsel lekker en aantrekkelijk moet zijn om gegeten te worden. Daarom worden in een goed restaurant en ook thuis bij een bijzonder dineetje de gerechten smakelijk opgediend. Japanners besteden bijzonder veel aandacht aan het uiterlijk van hun schotels. Dat wordt daar ook als een speciale kunst bechouwd. Wanneer een product niet aantrekkelijk is, wordt het niet gegeten en dan is de voedingswaarde nul.

Zowel bij GMO als bij E-nummers is gebleken dat nieuwe ontwikkelingen, ook al zijn het vaak reeds bekende zaken in een nieuw jasje, weerstand oproepen. Dat is een natuurlijk proces en afweging van voor en tegen leidt hopelijk tot een genuanceerde stellingname. Acceptatie heeft tijd nodig, maar vooruitgang is uiteindelijk niet te stuiten.
    





Downloaden als pdf